De passie van Drijver

‘Een rode keeper trekt de bal aan’

Martijn Drijver is al zijn hele leven in de ban van keepen. Weinigen zijn zo gedreven als hij. Drijver zit al 25 jaar in het vak.

Veel hockeyers willen het liefst scoren. Maar bij de familie Drijver kicken ze juist op het
voorkomen van treffers. ‘Als keeper ben je net een gier. Je moet alle rommel van anderen
opruimen’, aldus Martijn Drijver, die goalies al ruim 25 jaar het vak leert.
Lees hieronder het interview met Martijn in Hockey Weekly.

Foto_Martijn_HockeyWeekly_lowres.jpg

Foto: Proshots/Kay in 't Veen

Martijn is de zoon van Han Drijver. Deze vermaarde verdediger was niet alleen de beste linksback die Oranje ooit gekend heeft, maar tevens een onverschrokken lijnstopper bij strafcorners. Twee keer verloor hij daarbij al zijn voortanden. Voordat hij van pijn ter aarde stortte, werkte hij eerst de bal zorgvuldig over de zijlijn. Zoon Martijn is al even bevlogen. Hij stond tussen 1980 en 1986 in de goal van hoofdklasser HGC, om vervolgens als keeperstrainer furore te maken. ‘De lol om een bal uit je goal te houden, is enorm. Dat gevoel geef ik nu graag door aan de volgende generaties.’

Hoe is jouw liefde voor keepen begonnen?
‘Ik startte op mijn twaalfde met hockey. Omdat mijn vader een geweldige linksback was, begon ik ook op die positie. Net als hem met rugnummer 3. Maar wij hadden een hele goede doelman in ons team. Al snel dacht ik: ‘Dát wil ik ook!’ Dus pakte ik thuis de laarzen van mijn vader en vulde deze met kranten. Dat waren dan mijn legguards. Ging ik op het grasveldje voor ons huis oefenen. Al rap werd ik doelman, maar hockeyde in het weekend vaak nog een wedstrijd als veldspeler. Zo leerde ik het spelletje veel beter begrijpen. Ik hockeyde tevens veel op straat. Altijd wedstrijdjes doen, altijd competitie. Dat zit in mijn genen. Mijn pa won op de Olympische Spelen van 1948 brons en vier jaar later zilver. Hij liet die medailles nooit zien, omdat het geen goud was. Over runners-up wordt niet gepraat hè. Het gaat om winnen. Die instelling heb ik later ook meegemaakt, toen ik in 2008 keeperstrainer was van de Spaanse mannen. Zij wonnen op de Spelen van Peking zilver. Dan ben je dus de eerste verliezer. Daar praten ze dus niet over.’

Wat valt je op bij keepers die je traint?
‘Dat ze vaak bezig zijn met de dingen die slecht gaan. Als ik een bepaalde oefening twintig keer met ze uitvoer en ze doen ‘m zestien keer goed, zijn ze in hun hoofd bezig met die vier mislukte keren. Dat is het verschil tussen jezelf stimuleren en jezelf afzeiken. Daar confronteer ik ze dan mee. Zeg ik: ‘Hoe zou je het vinden als ik een uur voor je sta en je continu afkraak als je een fout maakt?’ Dan antwoorden ze steevast dat ze dat niet leuk vinden. ‘Oké, maar waarom doe je het dan wel bij jezelf?’
Een keeper die in een lekkere flow zit, benader ik anders dan iemand die met zichzelf overhoop ligt.
In het eerste geval zeg ik: ‘Oké, 16 uit 20 is niet goed genoeg, dat kun je beter.’ In het tweede geval zeg ik: ‘Je had er net 16 uit 20 goed. We gaan nu kijken of we daar 18 van kunnen maken.’ Op die manier stimuleer je beide keepers. En dat is zo belangrijk. Voormalig bondscoach Terry Walsh deed dat ook ooit bij Oranjedoelman Guus Vogels. Hij zei: ‘Guus, je bent by far de beste goalie van de wereld. Maar je laat het nog te weinig zien. Zo lang je het niet showt, speel je om en om met de andere keeper.’ Dat vind ik dus mooi. Zo stimuleer je iemand het beste uit zichzelf te halen.’

Wat is het mooie van keepen?
‘Ik geniet van de kick als je in een wedstrijd net die ene belangrijke redding kunt maken. Dat is zo gaaf. Ik hockeyde ook nog op gras. Vond het heerlijk om in de modder te duiken. Vies van het veld komen. Op het mentale vlak is keepen een apart vak. Het verschil tussen succes en verlies is heel broos. Je bent zo de held, maar ook zo de loser. Een superredding of een blunder, heeft bij een keeper direct gevolgen. Je hebt goalies die klagen dat hun verdedigers niet goed dekken. Maar daar sta jij dan toch voor! Je bent net een gier. Jij moet alles opruimen. Dat geeft ook juist de kick.’

Op je auto staat: ‘Goalkeepers are amazing people’
’Wij zijn andere mensen hè. Keepers zijn gemotiveerde mensen, willen altijd leren. En je bent een eenling in de groep. Maar je bent bij uitstek een teamplayer. Een veldspeler kan zich heel makkelijk verschuilen, maar een keeper nooit. Dient er altijd te staan. Bovendien moet je het niet erg vinden dat je serieus pijn gaat lijden. Je moet dus niet zeiken als je weer eens blauwe plekken op je bovenbeen of arm hebt. Dat hoort erbij. Keepers hebben een andere pijngrens. Als een veldspeler twee weken niet kan spelen, hockey jij door. Bovendien moet een keeper goed kunnen omgaan met concentratiegolven. Als je een hele wedstrijd niks te doen heb gehad, moet je er wel staan als die bal in de laatste minuut snoeihard op je afkomt. Het is een mooi vak.’

Wat is belangrijk bij jouw ‘Drijver Goalie System’?
‘Bij mijn methode gaan leren, plezier maken en hard werken altijd hand in hand. Als één van die factoren ontbreekt, vinden keepers het saai. Creativiteit in oefeningen is erg belangrijk. Zo houd je de geest van de goalies scherp. Naast een goede uitgangspositie, is een sterke timing essentieel. Een keeper moet heel snel de hoogte, richting en snelheid van de bal kunnen bepalen. Alleen dán kun je optimaal handelen. Om dit te kunnen, train ik de ogen van de keeper. Een slechte keeper kijkt naar de bal, een goede zíet de bal. Ik leer goalies scherper te zien. Ik gebruik daarvoor tijdens de training gele ballen, die tevens een zwarte cirkel en een zwarte stip hebben. Dit is een hulpmiddel om je beter te kunnen concentreren op een bal die op je af wordt geslagen. Je ontwikkelt spelenderwijs een beter zicht. De training is ook het moment om jezelf te ontwikkelen. Daar moet je de eagerness tonen om steeds beter te worden. De wedstrijd is dan de beloning van een week hard werken.’

Vertel eens een keepersgeheim.
‘Veel mensen denken dat de meeste doelpunten in de hoeken van de goal vallen. Is dus niet zo. Liefst 72 procent van alle goals worden in het middelste gedeelte van het doel gemaakt. Ik leer mijn keepers vooral in dit gebied te bewegen. Ooit zei iemand tegen me: ‘Dus jij laat je goalies op basis van statistieken keepen? Vind ik raar!’ Toen antwoordde ik: ‘Als er 72 procent kans is op prachtig zonnig weer en slechts 28 procent op regen, ga jij dan naar het strand? Ja, toch!’ Toen snapte hij het.’

Voor jou zijn kleuren heel belangrijk.
‘Absoluut. De keepers die ik train moeten altijd een rood, zwart shirt of een felle kleur dragen. Waarom? Je moet uitstraling hebben. Zwart staat voor gevaar en boezemt de tegenstander angst in. Neem de Nieuw-Zeelandse rugbyers. De All Blacks zijn scary shit! En rood? Dat is de meest primaire kleur. Als je je ogen dicht doet en vervolgens weer opent, is het de eerste kleur die je ziet. Een rode keeper valt dus enorm op. Hij staat er echt. Bovendien trekt rood aan. Onbewust slaan de tegenstanders meer ballen op de keeper dan er naast. Tijdens de Spelen van Londen begeleidde ik onder andere de keepers van de Nederlandse mannen. Jaap Stockmann stond niet voor niks in een rood shirt, rode broek met rode legguards. Je wordt als keeper in het rood groter en daardoor ben je meer aanwezig. Daar is over nagedacht. Je moet als keeper gewoon erg aanwezig zijn. Want welke persoonlijkheid ben je als je in het lichtblauw of zacht roze keept? Dat maakt totaal geen indruk. Een keeper moet er gewoon staan. Klaar.’